Training groep 6 Les 3: Oefening

Start

De juf en de kinderen zitten in de klas. Daar leest zij aan hen een spannend boek voor.

Daar verwijst naar ………
zij verwijst naar……
hen verwijst naar………

Tip: Maak van het verwijswoord een vraagwoord en vervolgens een vraagzin. Lees nauwkeurig de zin ervoor en erna.

Daar → Waar leest zij aan hen een boek voor?
zij → Wie leest aan hen een spanend boek voor?
hen → Aan wie leest zij een spannend boek voor?

1. Welke van onderstaande verwijswoorden is een verwijswoord?

2. Lees onderstaande zin. Waarnaar verwijst het schuingedrukte woord?

Karlijn en Wouter spelen op het strand. Ze doen dat bijna ieder weekend.

3. Lees onderstaande zin. Waarnaar verwijst het schuingedrukte woord?

Twee andere kinderen zijn met een bal aan het spelen. “Doen jullie mee?”, vragen ze.

4. Lees onderstaande zin. Waarnaar verwijst het schuingedrukte woord?

Ze gooien om beurten naar elkaar toe. Het gaat heel leuk.